Aanbevolen post

Wintervoorn stekken

In het artikel, wintervoorn , is een manier besproken om te vissen op de wintervoorn. In dit artikel gaan we verder in op de verschillende l...

Vliegvissen (forel) op reservoirs


Auteur: Guido Vinck

De kleuren van reservoirvliegen worden steeds 'gekker', feller of extravaganter! Vaak wordt gedacht dat deze striksels meer vliegvissers vangen dan vissen, maar niets is minder waar. Het is het resultaat van testen, uitproberen en durven. Zijn forellen dan in voor allerlei kleurtjes? Alnaargelang de omstandigheden ja, maar dat heeft wel bepaalde redenen.

Vissen kunnen kleuren onderscheiden. Dit is duidelijk aangetoond door tal van wetenschappers. Forellen hebben ook een zekere voorkeur voor sommige kleuren. Vooral op reservoirs verschillen deze van seizoen tot seizoen, van dag tot dag, zelfs van uur tot uur. De juiste kleur van de kunstvlieg bepaalt grotendeels het succes, en dat is een keuze die de vliegvisser zelf maakt. Hiervoor baseert hij zich niet alleen op ervaring, maar ook op wat de andere vliegvissers rondom hem vertellen, zeggen of beweren. Als je voor het eerst gaat vissen op een voor jou totaal onbekend reservoir dan moet je inlichtingen inwinnen hoe, waar en op wat de forellen azen. Veel, zeg maar bijna alles, hangt af van het weer. En als we over het weer spreken dan hebben we het over licht en dat is afkomstig van de zon, zelfs al is het zwaar bewolkt. De keuze van de kleur van onze vliegen heeft ook te maken met de temperatuur, niet alleen de buitentemperatuur, maar ook de watertemperatuur. Dan komen we weer terecht bij het weer, koud of warm, hier komt de zon weer de hoofdrol opeisen. Het aantal uren zonneschijn dat onze aarde ieder jaar te verwerken krijgt is, globaal bekeken, vrijwel constant. Het ene jaar meer dan het andere (denk maar aan de recente warme zomers en de bokkensprongen makende zomer en herfst van vorig jaar). September en oktober waren (voor vliegvisreservoirs) veel te warm, kenden weken van droogte om dan in enkele dagen een regenhoeveelheid te moeten verwerken van een hele maand. Zoiets laat zijn sporen na want de vangsten tijdens het herfstseizoen waren op veel reservoirs (vooral de kleine) ronduit slecht. De grote (lees Engelse) reservoirs bleven vrij redelijk vis opleveren omdat de warme temperatuur toch wat gemilderd werd door de wind en de golven waardoor er afkoeling en zuurstof in het water kwamen. De watertemperatuur bepaalt ook grotendeels de helderheid van het water, wat dan weer een invloed geeft op het insectenaanbod en het gedrag van de forellen. Door hun gedrag reageren de forellen op een bepaalde manier ten opzichte van hun prooi en niet in het minste op de kleur van hun prooi, dus ook op onze kunstvliegen.

Aantal insecten
De meeste vliegviswateren in België, Nederland, Frankrijk en Engeland zijn eutrofisch. Of het nu gaat om 'forellenputten', meertjes, kleine- of grote reservoirs. Eutrofe is Grieks en betekent rijk aan voedingsstoffen. Deze meren zijn meestal gelegen tussen landbouw- en uitgebreide woonzones en hebben doorgaans een slijkbodem. Zandwinnings- of grindputten maken hierop een uitzondering en het water is er meestal een stuk zuiverder en helderder. Anders is het in hooglandmeren zoals in Schotland, daar zijn de meeste meren (lees ook reservoirs) oligotrofisch en dat betekent zoveel als arm aan voedingstoffen. Dat komt mede doordat de omgeving 'armer' is aan insecten door hun geografische ligging en de bodem en ondergrond meestal bestaan uit rotsen. Gezien we vele malen meer gaan vissen op de ons omringende reservoirs gaan we ons in dit artikel dan ook toespitsen op de 'laaglandreservoirs'. De helderheid van het water bepaalt veel want dan kunnen de zonnestralen beter doordringen (bij helder water), er is dan ook meer plantengroei en dus automatisch meer insecten. In eerste instantie massa's muggenlarven, voor uitgezette forellen misschien wel 60 % van hun voedselbron. Een uitzondering hierop is het zilte Oostvoornse meer, maar de laatste jaren wordt het water alsmaar 'zoeter' en dat laat zich reeds goed merken.

Anders
De productiviteit qua insecten is voor elk reservoir anders en dat heeft alles te maken met de diepte en vorm van het viswater. Ondiepe reservoirs warmen sneller op, produceren wel veel insecten, maar daar gedijen tijdens warme zomermaanden de forellen dan weer niet. Dan hebben ondiepe wateren (meestal kleine 'putten') te lijden onder vissterfte, sluiten dan ook of zetten geen vis meer uit. 's Zomers moeten we ons concentreren op de diepere wateren en dan komen we al vlug uit op grote reservoirs waar de forellen de koelere waterlagen kunnen opzoeken en zij niet alleen. Een 'open' meer, met weinig begroeiing langs de oevers, zoals boompartijen of dicht struikgewas, koelt sneller af dan een meer dat in een vallei ligt of in de luwte van bossen. Ook de insecten zoeken naar de ideale leefomstandigheden en dat is voor hun een watertemperatuur tussen pakweg 10 en 16° C. Grote reservoirs hebben diverse waterlagen, een belangrijk kenmerk voor het gedrag van de forellen. Hoe meer daglicht en zon hoe sneller via fotosynthese het plankton zich ontwikkelt wat dan weer voedsel is voor micro-organismen (zoals watervlooien) die op hun beurt worden verorberd door insectenlarven en die dan weer door de forellen. De waterlaag waar het plankton zich het meest ophoudt is dan ook de zone (lees diepte) waar je de forellen het meest zal aantreffen. Hoe helderder het water hoe dieper het zonlicht kan doordringen en hoe dieper de warmtelaag (bij hoog zomer) met een temperatuur tussen 10 en 16° C zich zal bevinden. Deze zone wordt ook wel eens de 'thermoclinelaag' of spronglaag genoemd en wordt vooral van begin mei tot eind oktober gevormd. De laatste jaren zelfs nog later want de seizoenen worden steeds warmer en dat zie je aan de vangstresultaten. Tijdens de koude maanden worden de verschillende waterlagen door elkaar gemengd want de dagen zijn kort, de zon heeft te weinig kracht en de wind doet de rest. De diepte van het water bepaalt dus veel of de spronglaag zich kan 'installeren' en samen met de helderheid bepalen deze factoren hoofdzakelijk met welke kleuren vliegen we aan de slag gaan.

Oranje
's Zomers is oranje een veel gebruikte kleur om de eenvoudige reden dat, vooral bij diepe waters (en dan praten we over een diepte van minstens 4 tot 6 meter), watervlooien vaak en massaal aanwezig zijn en de forellen gewoon met hun bek open zwemmen om de diertjes simpelweg binnen te slurpen. Watervlooien kunnen door de hengelaar niet geïmiteerd worden, maar het zijn vooral de wedstrijdvissers die er achter zijn gekomen dat een oranje, volumineuze kunstvlieg een 'knaller' kan zijn. Wat zien de forellen in zo'n oranje 'dot'? Een hoopje watervlooien bij elkaar, misschien wel. Met deze gedachtegang en mede doordat oranje ook een kleur is die agressiviteit bij de forellen opwekt maakt bijvoorbeeld een 'blob' een veel gebruikte, succesvolle vlieg. Wij willen jullie de bindwijze van een blob niet onthouden en deze vind je dan ook verderop in deze 'Vliegbinden & Vliegvissen'. Blobs zijn natuurlijk niet zaligmakend, alle oranje vliegen of vliegen waar oranje in verwerkt is kunnen succesvol zijn. De diepte vinden waar de forellen zich ophouden is de volgende stap. Dit kan perfect door het gebruikt van een intermediate of traag zinkende lijn. Na het inwerpen kun je met het optellen van de 'zinkfase' alle diepte afvissen tot dat je aanbeten begint te krijgen. Als voorbeeld; je werpt in, telt tot tien en begint binnen te vissen. Krijg je geen aanbeet tel dan bij de volgende inworp tot vijftien en zo verder. Je kan de kans op succes vele malen hoger tillen door het gebruik van twee of drie vliegen waarbij een blob dan als topdropper fungeert.



Drie vliegen
Waarom drie vliegen op een en dezelfde leader? Je hebt drie kansen op een aanbeet, je kan met drie verschillende patterns (imitaties) vissen en dit op drie verschillende diepten. Welke vliegenlijn je ook gebruikt, of je vliegen nu verzwaard of onverzwaard zijn, of je traag of snel binnenvist, de drie vliegen vissen nooit op één en dezelfde diepte. 's Zomers is een vaak beproefde combinatie een fast intermediate of een medium zinkende vliegenlijn (D3) daaraan een vrij lange leader tussen vijf en zes en een halve 6,5 meter en drie vliegen. In het begin is dit wennen bij het werpen, zeker als je vist vanaf de oever en de wind tegen of zijwaarts komt. Niet geoefende werpers/vissers kunnen dan beter met twee vliegen vissen of een plekje opzoeken met de wind in de rug. Als je vist vanuit een boot is er geen probleem want dan vis je altijd met de wind in de rug. Als topdropper een oranje blob, als middendropper een nimf (bijvoorbeeld een Cruncher) en op de punt een streamer. Dan kiezen we meestal voor een zwartkleurige met wat glitter in het lichaam (bijvoorbeeld een Humungus). Vis je snel binnen (op agressiviteit) dan vissen de blob en de streamer precies waarvoor ze gebonden zijn. Vis je langzaam binnen dan doet de oranje blob dienst als attractor, maar daaronder 'hangt' een wel heel levendig uitziende imitatie van een nimf (larve)Dit is één combinatie, maar nu kun je natuurlijk wisselen met kleuren en groottes van de vliegen tot je de juiste striksels gevonden hebt waar de forellen op azen. Dit kan drie, vier tot zelfs meerdere malen veranderen op één dag. Een bindpatroon van de Cruncher en de Humungus vind je ook verderop in deze 'Vliegvissen & Vliegbinden'.

Andere mogelijkheden
Er zijn natuurlijk nog andere technieken als de eerder beschreven techniek niet werkt of onvoldoende. Wij hadden het er reeds over dat op reservoirs 60 % van het forellenmenu bestaat uit muggenlarven dus moeten die ook onze nodige aandacht krijgen. Muggenlarven, in het vliegvisjargon buzzers genoemd, worden hoofdzakelijk statisch gevist en dat betekent vissen met een drijvende vliegenlijn en als het kan ook met drie vliegen. Je kan de buzzers met achtjes heel langzaam binnen vissen. De diepte wordt bepaald door de snelheid van achtjes' draaien', de lengte van de leader en de grootte (lees gewicht - haaksoort) van de buzzers. Niet gemakkelijk te controleren en uit te dokteren zeker als je voor het eerst op een reservoir vist waarvan je de juiste bodemgesteldheid en de juiste diepte niet kent. Vaak zal je kan komen vast te zitten op de bodem of boven of onder de forellen vissen. Een, volgens mij, veel betere methode is de buzzers vissen onder een 'bung'. Dit is een hoog drijvende, volumineuze vlieg die gemaakt wordt uit foam of hertenhaar (sommige gebruiken een fluorescerende beetverklikker) als topdropper met daaronder twee buzzers. Op de middendropper een zwarte buzzer daaronder een oranjerode. Opnieuw komen dus die twee basiskleuren naar voor (leunt dicht tegen de kleuren van de blob en streamer aan) want echte muggenlarven zijn er heel veel in deze kleuren. Met het gebruik van een bung '(fungeert bijna als een dobber) kun je de buzzers op verschillende dieptes aanbieden en dit helemaal statisch. Alleen de wind en de stroming laten de buzzers op een natuurlijke manier door het water bewegen. Vaak een dodelijke manier van vissen en ook vaak vergrijpen zich aan buzzers de grootste forellen. Het eetgedrag van forellen wordt grotendeels bepaald door het voedselaanbod, maar toch ook door aangeboren reflexen en dan komen we bij de 'fry' periode. Fry, of in goed Nederlands speldaas, is een heel belangrijke factor in het leven van een forel. Het jonge broed van witvis of baarsjes 'hangen' zo vanaf begin juli tot laat in de herfst in dichte scholen bij elkaar. Dat kan in de oeverzone zijn, maar ook hoog in het wateroppervlak midden van een reservoir. Het sein voor de forellen om eens flink te schransen. Als haaien beginnen ze dan te 'cruisen' (rondjes zwemmen) rond of onder de school speldaas. Als de jacht open is schieten ze als een raket tussen de kleine visjes en vreten zich helemaal vol. Als vliegvisser is dit (althans voor mij) het hoogtepunt op reservoir. Andermaal worden er drie vliegen aan de leader geknoopt met op de punt een imitatie van een speldaasje. Dat kan een witte booby zijn, maar ook een witte streamer of floating fry. Als topdropper komt weer de oranje blob of een andere oranje vlieg in beeld en als middendropper een nimf. Deze combinatie wordt gevist aan een drijvende lijn, af en toe eens aan een intermediate lijn (als er veel wind staat en een drijvende vliegenlijn te weinig contact geeft), en aan een lange leader. Na het inwerpen wordt er snel binnengevist en dan meestal met lange halen of zelfs rolly polly (dan steek je de hengel onder je oksel zodat je beide handen vrij hebt en begint de vliegenlijn binnen te halen met beide handen, je maakt als het ware een 'molentje'). Het is een mooi gezicht om de forellen achter je vliegen te zien zwemmen om snoeihaard toe te happen. Blijven ze volgen en toch niet toehappen dan kan plotseling stoppen van binnenvissen hun er toe verleiden om de nimf te pakken want dat is een smakelijk tussendoortje.

Afwisseling
Hoe snel moet je een niet drijvende vlieg binnenvissen? Hangt dit af van de watertemperatuur? Het zijn maar enkele van de zovele vragen. 's Winters, lees de koude maanden, worden nimfen, streamers, blobs, boobies, kortom bijna alle vormen van vliegen traag tot zeer traag binnengevist. Om een idee te krijgen van wat traag is; een booby of emerger ongeveer vijf centimeter per seconde. Streamers, lures en attractors mogen sneller worden binnengevist, maar dan wel met afwisseling. Tijdens het hele traject van de vlieg(en) kan je gerust vijf, zes of zelfs meerdere keren de snelheid opvoeren of vertragen, de vliegen moet 'attractief' door het water gaan, zelfs al zit de watertemperatuur tegen het vriespunt aan. Vissen kijken helemaal anders dan wij en zeker op reservoir dit in tegenstelling met hun riviergenoten. Op rivier bepaalt gedeeltelijk de snelheid en de helderheid van het water hun gezichtsscherpte. Op reservoir is er nauwelijks stroming wel kunnen de golven, als de vis hoog zit, hun gezichtvermogen belangrijk beïnvloeden. Forellen kijken meestal 'vlak' of naar omhoog, dus vliegen die 'op-en-neer' door het water gaan hebben, om agressie op te wekken, een betere kans van aangevallen te worden. Nimfen is meer statisch vissen want die gaan bij wijze van spreken met een slakkengangetje door het water. Speldaas vis je of supersnel binnen of statisch. Het is gewoon een beetje logisch redeneren en precies de snelheid meegeven aan je vlieg(en) om het echte insect of speldaas te imiteren in hun zwembewegingen.

Kleuren voor geluk
Er zijn geen sluitende regels van welke kleur vliegen gebruik ik nu, morgen of volgende week. Toch zijn er enkele vuistregels door ervaring tot stand gekomen waarbij de juiste kleur van de vlieg bij bepaalde watertemperaturen, de kleur van het water en het seizoen voor 60 tot 80 % de juiste zijn om je 'geluk' een handje te helpen.

Helder water
Sombere kleuren (zoals bruin en grijs) vangen beter in helder water want te felle kleuren verschrikken eerder de vis dan ze aan te trekken.

Modderkleur
'Bruin' water is nooit goed, maar dan zijn oranje en geel goede kleuren. Die vallen op want de zichtbaarheid is niet groot.

Zon
Bij zon en fel licht zijn peach (perzikkleur) en coral (koraalkleur) een goede keuze. Om de een of andere reden worden forellen bij deze omstandigheden aangetrokken door deze kleuren. Warm en koud
Als de watertemperatuur extreem warm of koud is (lees tegen 20° C of meer / 4° C of minder) dan is 'hot pink' een goede kleur. Vreemd dat deze gekke kleur dan forellen aantrekt, maar het is wel zo.

Dik of helder
Water kan gekleurd zijn (geen modderkleur), wij noemen het 'dik' water, dan is zwart de uitgelezen kleur. Werkt ook heel goed bij helder water, sombere kleuren weet je wel. Eigenlijk is zwart een all round kleur.

Groen water
Water kan echt als erwtensoep groen zien door algenbloei. Dan, hoe vreemd het ook moge klinken, zijn fluorescerende groene vliegen de juiste keuze. Samen met een oranje blob als topdropper een niet te kloppen combinatie.

Herfst
Zo vanaf eind september tot medio november wil geel nog wel eens voor verrassingen zorgen. Waarom, eerlijk gezegd ik weet het niet?

Altijd goed
Misschien wel de meest populaire reservoirvlieg is de Cat's Whisker. Een combinatie van wit/geel of wit/chartreuse werk het hele jaar door. Het zijn misschien de twee contrasterende kleuren die de forellen aantrekken.





Op temperatuur
Een vliegvisser komt echt op temperatuur als hij of zij de juiste keuze maakt van de vliegenlijn, leader en vliegen. Als daarbij nog de juiste diepte en de aangepaste snelheid van binnenvissen gevonden wordt dat kan het nog moeilijk fout gaan. Hoe apathisch forellen ook mogen zijn er valt altijd wel een visje te vangen. Met 's zomers de meeste kans op succes tijdens de ochtend en de avonduren want dan hangt de 'spronglaag' het hoogst, zeg maar het dichtst bij de oppervlakte. Overdag worden de bovenste waterlagen te warm en zakt de forel naar de diepte en wordt loom. Het is net andersom tijdens de koude wintermaanden. .Tegen de middag warmt het water op, kunnen we enige activiteit waarnemen en liggen onze kansen het hoogst. Het lijkt allemaal misschien we heel ingewikkeld en een moeilijke materie, maar dat is bij andere disciplines ook zo. Toch moet je er niet te zwaar aan tillen, logisch nadenken, je ogen de kost geven en je bent al een flink eind op weg. Gelukkig bestaan er uitzonderingen want als we van te voren wisten of we wel of niet vis zouden vangen was er geen aardigheid meer aan. Wat als een paal boven staat is dat de winter- en zomermaanden de moeilijkste zijn gezien het weer te grote schommelingen kan maken. De beste perioden zijn tussen april en juni en van september tot november, maar is dit niet bij alle visserijen?